woensdag, augustus 09, 2006

Ik heb veel kleingeld de laatste tijd, allemaal verdiend bij optredens. Een deel daarvan laat ik uit mijn hand in mijn broekzak glijden. Het is maandag. Ik zou eigenlijk naar Prenzlauer Berg moeten fietsen en op de kopieermachine een flyercompositie maken. Daarvoor heb ik een woord nodig waarvan 'klang' de eerste lettergreep is. Het schiet me niet te binnen.

De dag is fris en winderig, enigszins bewolkt. In de gang werkt een electricien. De voorbijrijdende trams fluiten soepel over de rails. De afgelopen nachten hebben de slijpers vonken uit het ijzer getoverd. Ik moet bij de post zijn om het pakje met ontrafelde cassettetape voor mijn klankkompaan Harold in Parijs af te geven.

Harold had ik eerder dit jaar in Parijs in het echt meegemaakt. Tijdens een wandeling zag hij een sliert cassetteband die om een lantaarnpaal was gewikkeld. Zijn begoeting ("Ah") vereende verbazing over uitblijvend resultaat met de zekerheid dat met iedere wandeling zijn voorraad tapesalade zou groeien. Later die dag jutte hij in de zoom van een van Parijs' snelwegen tussen de aangespoelde rotzooi.

Ik heb zin in de maandagkrant, laat in de kiosk mijn stuivers en centen achter en loop terug naar de fabriek. Een klein artikel op de onderste helft van de voorpagina valt me op. Onder het roodgedrukte 'Literatur' en een fotootje van een muslima met boekje en geheven fietsepomp en met een sneeuwwit kleed over het haar en ook over haar neus, haar wangen, haar mond, haar kin, haar hals, haar boezem (ze lijkt eigenlijk op een boze non die een fietsedief vervloekt) en onder weer een andere kop, ditmaal van letters die drie woorden vormen, volgt een inleiding op een boekbespreking.

Het gaat om de zelfmoordaanslagen en degene die zichzelf en anderen opblazen, de kamikaze als romanheld. Salman Rushdie, V.S.Naipaul en John Updike hebben zich over hem en haar ontfermd. En nu een Algerijn die de naam van zijn vrouw als pseudonym gebruikt. Ik moet aan mijn eigen boek over een Algerijns meisje denken.

De eerste versie daarvan was in 1999 klaar, de tweede definitieve versie om tien uur 's avonds op 31 december van het jaar 2000. Toen was de burgeroorlog in Algerije nog goed voor zo nu en dan een paar regels op pagina 7 van de krant. Ik koos de Algerijnse nationaliteit voor mijn romanfiguur, omdat ik een harde, maar ook mystieke en exotische achtergrond wilde. Ik had Kosovo of ex-Joegoslavie kunnen nemen. Daar zag ik van af; die landen waren door een overmaat aan mediaberichten romantechnisch gezien vervuild. Bovendien was ik er nooit geweest. In de woestijn wel.

Het boek Aisha zou in de maand april van het jaar 2001 verschijnen. Het moest echter eerst nog langs de redacteur. Ik kon me niet verenigen met zijn terroristische aanslag op mijn tekst en liet dat ook weten. Bij die discussie vielen woorden in plaats van klappen, vanwege de geografische afstand die ons scheidde. In een gesprek zouden we zeker tot een andere oplossing zijn gekomen dan die de uitgever Joost Nijsen uiteindelijk koos, en die was om van publicatie af te zien. Dat had meer met de kwaliteit van mijn karakter dan met de kwaliteit van het boek te maken.

Het gebeurde allemaal een paar maanden voor het media-event van de eeuw, dat de woorden 'terrorist' en 'terrorisme' aan het verplichte vocabulaire van de politici en de mediacraten toevoegde. De woorden komen in mijn boek niet voor. Ik zou ze ook niet gebruikt hebben. Joost is in de tussentijd een redelijk succesvolle uitgever geworden.

Uit nieuwsgierigheid bezocht ik de site van zijn uitgeverij. Het was lang geleden dat ik daar was aanbeland. Ik bleek een van de tienduizenden bezoekers te zijn. ik las zijn stukje, herkende zijn opgeruimd humeur, ook iets van de fijne glans van de parketvloer in zijn Amsterdams huis en kon me heel goed voorstellen hoe ontspannen het leven in de hoofdstad kon zijn, met zijn waterfietsen en de herengroepjes op het Spui, die met iedere ronde bier luidruchtiger werden.

Ik heb Joost altijd graag bezocht. Hij had er een talent voor om zijn gasten af te schermen voor de burele beslommeringen. Hij was luchtig in de omgang, grappig, soms onbehouwen grof, wat het nog grappiger maakte, omdat hij dacht dat het stoer klonk. Joost schrok helaas terug van zijn verantwoordelijkheid, en kon pas een besluit nemen na eindeloze ruggespraak. In mijn tijd waren die beruggespraakten niet van het niveau dat hij graag bij hen vermoedde.

Naar zijn website zal ik niet terugkeren. Die is te conservatief. Ik zou hem bij een volgend bezoek aanraden om er een online tijdschrift aan toe te voegen, een tijdschrift bovendien met een uitgebreid forum waar de literair aspirerende bezoeker zijn verhalen kan achterlaten. Een volgende stap is dat je in Toscane, of op Rottummerplaat een zomeracademie opricht waar de beste schrijvers uit het forum de fijne kneepjes van het vak worden bijgebracht door een auteur uit het fonds. Daarmee verdien je op zijn vijfhonderd-euro-per-weeks geld, en het levert mogelijkerwijs een bundel op.

Nou ja, Joost is op vakantie in de USA. Hij heb zijn zorgen en ik de mijne. Hoe ik rijk word van mijn ideeen, kunnen jullie in de komende maanden in deze blop lezen. Bij uitgeverijpodium.nl kun je de Boeken Top Vijf bijhouden.